1st - 7th October 2012

HOME  CYMRAEG

Jeroen Theunissen

Jeroen Theunissen

Jeroen Theunissen was born in Ghent (Belgium) in 1977. He studied German language and literature and had poems published in several literary journals. He made his literary debut in 2004 with the novel 'De onzichtbare' (The Invisible). A melancholy portrait of ordinary people, one review also called it "a sociological investigation in the form of a novel." The following year he published his first collection of poetry 'Thuisverlangen' (Home Sickness). In 2006 he published 'Het Einde' (The End) which explores modern global challenges and at the same time stretches the boundaries of fiction. In 2008 he published 'Een vorm van vermoeidheid' (A Form of Fatigue), a novel about a man who abandons his comfortable life to travel to Patagonia. He published a second collection of poetry in 2009, 'Het zit zo' (How it is). In 2010 he published his latest novel, 'The stolp' (The Bell).

"In the two collections of poetry he has published to date, Theunissen takes to task the language of mass media, marketing and the ideology of the free market. In his poems Theunissen unmasks not only the coquettish and empty language of mass media (as in, for example, a poem made from one long citation of an interview, as a means of exposing its meaninglessness), he also searches for ways not to fall prey to it. Incorporating stylistic idiosyncrasies, he expropriates language from the hands of managers and marketeers to restore it to its true potential and power." (Bart Van der Straeten)

 

In de ruimte

1.

Ik, eenendertig, blakend van kracht en gezondheid,
van vreugde en woede, trok in de ruimte,
keerde naar de ruimte terug. Ik, man van de lege
sleutelgaten, vond een bestemming.

Ik reisde in de ruimte, werd ruimtetoerist,
ik ging te voet in de ruimte. Ik vertrok
op een vijfentwintigste oktober,
mijn huis kermde slapeloos landschap.

Mijn ogen vloeiden over eerste bewoners,
ik zag tennisvelden ver, en ik werd optimist,
ik werd ruimtetoerist, tussen Brugge
en Gent was de lucht een witte vliegtuiglijn.

Jij maan at laatste witte kevers,
jullie lampen waren niet aan,
jij zon stofte woningen af
en de wijsheid telde haar geld.

En ik kwam aan café sportvrienden brasserie,
ik pelgrim. En in mijn rugzak had ik gestopt:
lavendel, marjolein, melk, grond, een handdoek,
een broek, schoenen, een trui, proviand,

adressen van mogelijkheden, ik nam een lied
van de tsjif tsjaf mee, een lied van de dancing queen,
een lach van vers sinaasappelsap, en ik nam een tent
en een slaapzak mee, ik vergat het compas.

Ik stuurde een mailtje naar newsletter punt com,
naar Abdelkarim, naar Jozef en Katja,
naar Anne-Katrien, naar Cecilia en Nadia,
naar Wim en Veerle en Ingrid en Els,

naar Walter en Pieter en Piet en Nel,
naar Wouter, Kees, Hans, Karim en Willem en Jan,
naar tantes en nonkels, naar werkgever en arts,
ik schreef: ik vertrek, lieve mensen,

maar jullie krijgen bericht van mij uit de ruimte,
ik stuur jullie zeker een mail als daar in de ruimte
mogelijkheid toe is. Want ik had muren verlaten,
de zee verlaten en de bergen, zonder heimwee,

op expeditie, ik had een ticket op zak
voor andere oorden en ik had ook een retour,
de toekomst bestond, lag in handen als een knoop
in een laken, mevrouw ik liet u dus achter.

 

 

© 2009, Jeroen Theunissen
From: Het zit zo
Publisher: Meulenhoff-Manteau, Antwerp, 2009

 

Up in Space

1.

I, at thirty-one, glowing with health
and strength, with joy and with anger,
left for space, returned to space. I, man
of empty keyholes, found a destiny.

I travelled through space, became a space
tourist, I went on foot through space. I left
one fine twenty-fifth of October,
my house groaned sleepless landscape.

My eyes coursed across the earliest inhabitants,
I saw tennis courts, became an optimist,
a space tourist, on the road between Ghent
and Bruges the air was a white aircraft line.

You moon ate the last white beetles,
you lights weren't turned on,
you sun dusted off houses,
wisdom counted her pennies.

And I went to the pub sports friends eatery,
pilgrim me. And in my backpack I carried:
lavender, marjoram, milk, earth, a towel,
trousers, shoes, a jumper, provisions,

addresses of promise, I took with me a song
of the chiffchaff, a song of the dancing queen,
the laughter of fresh oranges and I brought a tent
and a sleeping bag, forgetting the compass.

I sent an email to newsletter dot com,
to Abdelkarim, to Jozef and Katja,
to Anne-Katrien, to Cecilia and Nadia,
to Wim and Veerle and Ingrid and Els,

to Walter and Pieter and Piet and Nel,
to Wouter, Kees, Hans, Karim and Willem and Jan,
to aunts and uncles, to my employer and GP,
I wrote: I'm off, dear people, I'm leaving -

but you will receive my news from space, I will
write you an email for sure if I can get a connection
up there. Because I had abandoned walls, abandoned
the sea and the mountains, without homesickness,

on the expedition, I had a ticket in my pocket
for places elsewhere and I had the option to return,
the future was there, lay in my hands like a knot
in a sheet: missus I turned my back on you.

 

 

© Translation: 2010, Astrid Alben

Ty Newydd

Literature Across Frontiers

poetry wales

Pontio

Literature Wales Aberystwyth University Gwynedd

Bangor University

Arts Council of Wales

Wales Literature Exchange

Whistlestop Cafe

British Council Palas Print the absurd
Goethe Institut Translators House Wales Kunst Purple Moose aelg logo Galicia logo In Chapters EU logo